dinsdag 10 september 2013

Westie Boris was mijn anti-heimwee medicijn

Toen ik mijn baan in Delft had opgezegd en op zoek ging naar werk dichter bij huis, kwam ik er achter dat ik nog niet zoveel hechting met mijn nieuwe woonplaats had. Ik miste mijn wortels, kende heg nog steg en voelde heimwee prikkelen. Er kwam al snel een hondje, mooie gelegenheid om de omgeving te leren kennen als ik met hem ging wandelen.


Boris was een kruimel. Gert-Jan noemde hem een rat. Maar het was een bijzonder ratje, hij woog 1.400 gram en paste in de keukenweegschaal.

"Baddertijd voor de vogels" en "Roef ... poesje!"

Met lichte tegenzin liep Roef zondagochtend achter mij aan. De deur was al achter hem dicht gevallen en een ontsnapping aan de regen was daarmee een gepasseerd station. Onze dappere boxer heeft werkelijk geen enkele haar op zijn rug die van water houdt. Regenplassen vindt hij al helemaal een gruwel. Hij is en blijft een bijzondere hond. Twijfelend en met voorzichtige bewegingen stapte hij door een regenplas.

Zo erg was het dit weekend helemaal niet met de regenplassen

zondag 8 september 2013

Mijn trouwdag was mijn ouders' "Grote dag"

Jammer dat Marco Borsato zijn mooiste nummer niet al had geschreven toen ik in 1996 trouwde. Ik was een papa's kindje en hij en mama waren minstens zo trots op mij. Als papa in die jaren niet al behoorlijk last van zijn longen had gehad en een groot deel van zijn stembereik was kwijtgeraakt, zou hij ongetwijfeld voor mij hebben gezongen: Marco Borsato: Dochters. Want ja, ook mijn papa kon heel mooi zingen.



Mama was onsterfelijk!

De jaren vliegen voorbij en opeens is het alweer twaalf en een half jaar geleden. Als ik de jaren voluit schrijf, lijken ze een beetje op hoe vreselijk lang dat al weer is. Twaalf en een half jaar geleden is het dus dat ’s avonds de telefoon ging. Het was Ellen, mijn schoonzusje. Met verstikte stem vertelde ze dat ze “HEEL ERG SLECHT NIEUWS HAD”. Het nieuws was zo slecht dat het niet eens als ‘begrip’ in ons woordenboek voorkwam en al evenmin in onze spreektaal. Een onmogelijke gebeurtenis sloeg de fundering onder ons bestaan in één klap tot stof.

Mama was namelijk onsterfelijk, zij kon niet dood gaan. Maar ondanks dit FEIT werd in de avond van donderdag 8 maart 2001 onze begrippenlijst ongevraagd en zonder onze goedkeuring met een nieuw en ongewenst begrip aangevuld.

donderdag 5 september 2013

Mijn nieuwe ik

Van lastig kind naar steunpilaar

Dat de jaren voor mijn ADHD-diagnose bepaald niet makkelijk waren, zal vooral voor lotgenoten met-diagnose-op-volwassen-leeftijd herkenbaar zijn. Na het vallen van de diagnose bleken talloze problemen opeens verband met elkaar te houden. Het werd een ongelooflijk intensieve klus om alle “trauma’s” alsnog een plekje in mijn leven te gunnen zodat ik verder kon met mijn nieuwe ik.

Ik kan mij niet anders herinneren dan dat ik een lastig kind was. In het rapportboekje van de lagere school staat met terugkerende regelmaat de opmerking “Margriet moet béter opletten in de les. Ze weet nóóit waar we zijn met de leesles”. Bij rekenen moest ik “beter mijn best doen”. In de vijfde klas (tegenwoordig groep 7) volgden opmerkingen als “Margriet vraagt te veel aandacht”. Volgens de leraar was mijn houding “opvallend” en wat concentratie betreft “was ik snel afgeleid”.  Op mijn laatste rapport van de lagere school prijkt de opmerking “Soms wat eigenzinnig”.

Volgens mij ben ik nog steeds “soms wat eigenzinnig”. Nog steeds ben ik makkelijk afgeleid en een aandachtsvrager ben ik ongetwijfeld ook nog steeds (waar komt anders mijn blog vandaan!?).

Als mijn jeugd na 2000 was begonnen, zou mijn ADHD zonder twijfel eerder zijn opgemerkt en van een etiket zijn voorzien. Zou mijn leven dan anders zijn verlopen? Ik weet het wel zeker. Dan had ik mogelijk vaker iets wel afgemaakt. Misschien was er dan minder vaak gezegd “Het is altijd wat met Margriet”. Ja, dat was het ook. Er was altijd wel iets, eerlijk gezegd “nog steeds”. Ik mankeer altijd wel wat en niet zomaar “wat”. Maar wist ik veel, kon ik er wat aan doen?! Natuurlijk is dit allemaal “achteraf gepraat”. Ik heb er vrede mee. Het is gebeurd.

Maar wat vind ik het nog altijd jammer dat mijn ouders de diagnose niet hebben meegemaakt. Dan had ik hen kunnen vertellen dat ik vaak onwillig en lastig was zonder dat ik daar echt iets aan kon doen. Het ontbrak immers aan de juiste hulp en begeleiding. Helaas, die kans gaat er niet komen, maar het is goed. Mijn leven is op de rails, de trauma’s zitten in mooie doosjes met strikjes er om heen en het leven gaat door.

Mijn nieuwe leven heeft natuurlijk een algemeen bekende nieuwe hobbel om overheen te komen. Een hobbel met de hoogte van de Mount Everest, maar het lukt me vrij aardig. Mijn blog moest mij helpen mijn verhalen van me af te schrijven en orde in de chaos te scheppen. Ook dat lukte, maar sinds “borstkanker 2.0” doet mijn blog méér. Iets wat ik in mijn stoutste dromen nooit had durven bedenken. Er zijn mensen, met name lotgenoten, die gebaat zijn bij mijn verhalen. Gisteren mocht ik opeens mijn oncoloog toevoegen aan de lijst van lezers voor wie mijn blog een meerwaarde heeft. Zij kreeg door mijn verhaal inzicht in de impact die haarverlies en kaal worden heeft op patiënten.

Via de statistieken van mijn blog kan ik zien hoe lezers op mijn site terechtkomen. Ook kan ik zien waar mensen zitten. Mijn blog bereikt de hele wereldbol. Ik heb lezers uit NL, maar ook de USA, België, Duitsland, Denemarken, Frankrijk, Italië, Curaçao, Zwitserland, Zweden, Griekenland, Argentinië, Noorwegen, Rusland, Spanje, UK, Servië, Oostenrijk, Australië, Oekraïne, Zambia en Zuid-Afrika. Ik twijfel er niet eens meer aan dat ik niet eens alle landen heb genoemd waar ik lezers blijk te hebben. Ze komen rechtstreeks omdat ze mijn blog weten te vinden of ze komen via verwijzingssites. Tussen de gebruikte verwijzingssites staat bijvoorbeeld de link naar de website van de NVZ (Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen). Op een forum van Elle Girl heeft laatst iemand de link naar mijn blog gezet. Het ging over mijn stukje over de “de zogenaamde vakanties van Facebook-leden”.

Mag ik even jullie aandacht!

De grootste groep lezers die vanaf een andere website bij mijn blog komt, komt echter via het blog van Lowie van Gorp. Zonder zijn blog met daarop de vermelding van mijn blog waren mijn lezersaantallen nooit zo gigantisch toegenomen.

Ook daarom vraag ik nu jullie aandacht voor zijn blog. Voor wie het verhaal van Lowie en zijn gezin nog niet kent en al helemaal niet weet wie KanjerGuusje was, volgt nu de gelegenheid daar achter te komen.


Lowie komt 2 november 2013 met zijn tweede boek “We houden je vast”. In dit boek vertelt Lowie hoe hij en zijn gezin het leven hebben opgepakt nadat Guusje haar grote reis begon naar een pijnloze dimensie. De opbrengst van de verkoop blijft niet aan strijkstokken hangen. Het gaat via stichting Kanjer Guusje (http://stichtingkanjerguusje.nl/) naar een goede bestemming. De stichting ondersteunt de zorg voor kinderen met kanker en hun naasten.

Dus kom op lezers. Koop allemaal het tweede boek van Lowie. Koop het voor jezelf of koop er meer. Geef ze cadeau. Is de draagkracht te laag, dan ligt het ongetwijfeld straks net als het eerste boek, bij de bibliotheek. Maar als het even kan … kopen!

woensdag 4 september 2013

Oncoloog leert van (mijn) blog



Hoe gaaf is dat! Mijn blog blijkt niet alleen voor lotgenoten een toegevoegde waarde te hebben. Zelfs mijn oncoloog geeft – sinds het lezen van mijn blog – nieuwe adviezen aan haar patiënten. Vandaag vertelde ze mij ‘hoe en waarom’ zij haar advies naar haar patiënten heeft aangepast. Puur en alleen omdat zij door mijn blog beter de impact begrijpt van ‘haarverlies en pruikenleed’.

4 september 2013
'ik droom niet!'
- dit is écht mijn eigen haar! -
Mijn blog gaf haar het – ontbrekende maar broodnodige – inzicht en zij past dit voortaan toe in haar praktijk.

zondag 1 september 2013

Kankeren – het werkwoord

Toen ik afgelopen maandag ’s-avonds de poort opende om de hond uit te laten, kwam onze dochter net thuis van een vriendin. Ze vroeg of ze mee mocht. Bijzonder, want dat wil ze bijna nooit. Ze begon te praten en vertelde over een leraar die ze vorig jaar aan het begin van het jaar wel aardig vond maar inmiddels niet meer. Hij blijkt een werkwoordelijke vervoeging van kanker als ‘stopwoord’ te gebruiken. Hij verwijt de leerlingen in zijn klas dat ze ‘lopen te kankeren’.

Marieke vindt dit niet normaal. Ze begrijpt het niet. Al helemaal niet omdat deze docent op de hoogte is ‘dat haar moeder borstkanker heeft’. Maar ze begrijpt het ook niet om andere redenen. “Mam”, zei ze “die man is al zeker vijftig. Zoiets doe je toch niet als je al zo oud bent. Dat zeg je toch niet tegen kinderen?!”.

Ze heeft groot gelijk. Zij is bovendien niet de enige die het opvalt. Ze had een vriendin/klasgenoot in haar nieuwe klas verteld over zijn taalgebruik. Al tijdens een van de eerste lessen van het nieuwe schooljaar gebruikte hij het werkwoord opnieuw tegen zijn leerlingen. Marieke vertelde hoe zij en haar vriendin elkaar verbijsterd aankeken. Vervolgens vertelde ze hoe deze docent aan de klas vroeg wie er al een onderwerp wist voor zijn/haar profielwerkstuk. Marieke vertelde dat zij en haar vriendin ‘borstkanker’ als onderwerp hadden gekozen. De docent vertelde vervolgens aan de klas dat Marieke daar een heel goede reden voor heeft … Deze ongevraagde aanvulling maakte de verbijstering van Marieke nog groter. Vlak na het gebruiken van dat voor haar onbegrijpelijke werkwoord benoemt hij immers de ziekte zelf als iets heel ergs. Ze vroeg mij wat ze moest doen.

We spraken af dat ze het bij de mentor, die ze gelukkig goed kent, ter sprake zou brengen. Als dit niet zou helpen, beloofde ik het hoger op te zoeken. Eigenlijk vind ik dat dit per definitie moet gebeuren want een docent die zijn of haar leerlingen zo aanspreekt, vind ik niet kunnen. Schelden en vloeken hoort niet. Dat proberen we dan ook onze kinderen bij te brengen.

De eerlijkheid gebiedt mij op te biechten dat ik ook wel eens scheld en/of vloek. Meestal lukt het mij een synoniem te gebruiken. Afgelopen week faalde ik groots na de zoveelste aanval van de zoveelste wesp die mijn kamer op kantoor was binnengedrongen en mij steeds opnieuw inspecteerde. Collega’s aan het einde van de gang hoorden mij vloeken. Ik was behoorlijk geprikkeld. Mijn hartslag gaat nu al omhoog als ik bedenk dat het feest morgen weer opnieuw begint.’Mijn raam dicht houden’ heeft geen zin. Ze komen namelijk van de andere kant van het gebouw waar vanwege het mooie weer de ramen openstaan. Het parkeerterrein aan die kant van het gebouw wordt versierd door vruchtdragende bomen waar blijkbaar talloze wespennesten in huizen. Al jaren komen we verdwaalde exemplaren in onze kantoren tegen, maar dit jaar zijn het er onevenredig veel meer.

Het lukt mij niet continue te onthouden dat ik de deur van mijn kamer dan maar dicht moet doen. Ik mis ook het begrip waarom juist ik mijn deur dicht moet houden. Die beesten komen niet via mijn raam naar binnen. Het lijkt mij effectiever als alle ramen aan die kant van het gebouw potdicht blijven. Maar dat is blijkbaar teveel gevraagd. Mijn teruggekeerde fobie voor wespen is mijn probleem. Jarenlang had ik mijn fobie onder controle, maar is nu in volle hevigheid terug. Maar goed dat is een andere discussie. Er zijn in ieder geval geen kinderen in de buurt als ik mijn onbeheersbare angst en schrik – op een ongewenste manier – uit. In de kast heb ik nog wel wat oxazepammetjes liggen om rustig te blijven gedurende de aanvallen die mijn concentratie onderuit halen.

Terug naar de docent. Deze docent geeft Nederlands en heeft inmiddels de leerlingen laten weten dat ‘kankeren’ een officieel werkwoord is. Daarin heeft hij gelijk. Kankeren staat in het woordenboek. Het Groot woordenboek van de Nederlandse taal 14 van Van Dale zegt er het volgende over:

kankeren
kan·ke·ren
kankerde; is en h. gekankerd
(1401-1500 ‘invreten, voortvreten’) van kanker
woordvormen
I
onovergank. werkw.
1
·
de kanker hebben, kankerig zijn
2
·
(van kwaad) als kanker weg-, invreten, zich woekerend verspreiden
3
·
ontevreden, knorrig afgeven op toestanden en personen, morrend mopperen
hij loopt altijd te kankeren
3
·
zij zat altijd op me te kankeren
II
overgank. werkw.
1
·
(weinig gebruikt) plagen, pesten


Maar diezelfde Van Dale geeft ook  synoniemen die geen ziekte gebruiken om het ongenoegen te kunnen uiten als leerlingen niet meewerken. Kankeren is dus een vorm van mopperen. Ik kan mij niet voorstellen dat de leerlingen zodanig lopen te mopperen dat het taalkundig gezien, vergelijkbaar wordt met een levensbedreigende ziekte. Als leerlingen dusdanig ontevreden zijn, dan vraag ik mij toch wel af of er misschien een aanwijsbare reden is voor dat gemopper. Want zeg nu zelf, als ze allemaal altijd lopen te kankeren, dan moet er toch iets aan de hand zijn.

In ieder geval is het een omgekeerde wereld wanneer kinderen hun docenten en/of volwassenen moeten aanspreken op hun taalgebruik. Ruim dertig jaar geleden sprak ik ook een docent aan op zijn gedrag. In de gang bij de conrector begon hij aan zijn boterham. Leerlingen mochten ook in die tijd alleen eten en drinken in de aula of buiten de school. Poeslief vroeg ik hem of op docenten andere regels van toepassing waren. Ik geef toe: ik was een brutaaltje en al helemaal niet op mijn mondje gevallen. Bovendien was een stevig meningsverschil de aanleiding waarvoor wij een gesprek met de conrector moesten aangaan. Bij het zien van zijn eerste hap was ik enkel en alleen uit op het scoren van een tweede punt. Het eerste punt had ik op dat moment al gratis binnengehaald toen hij zonder te kloppen naar binnen stormde bij de conrector. Ik had hem nog wel gewaarschuwd dat deze telefonisch in gesprek was. Hij werd vervolgens terug verwezen naar de gang vanwege dat telefoongesprek. Bij de eerste hap in zijn boterham ging het mij dus om een 2-0 voorsprong.

Maar bij Marieke gaat het om heel iets anders. Het gaat hier immers niet om een boterham die je wel of niet in de gangen mag opeten. Het gaat om een vreselijke ziekte waar zij zich persoonlijk door bedreigd voelt via mij. Degene die in haar ogen fout bezig is, is niet eens een klasgenoot maar degene die een voorbeeldfunctie heeft naar haar en haar klasgenoten. Die functie is deze docent blijkbaar helemaal uit het oog verloren en daar gaat het mijn meisje om. Wat ben ik trots op haar.