donderdag 25 februari 2016

Operatie assistente-in-opleiding (microchirurgierobot)

(2014)

Vanuit mijn kantoor van Stichting Techniekpromotie heb ik zicht op het gebouw van de faculteit Werktuigbouwkunde van de TU Eindhoven. Dat uitzicht heb ik al jaren. De voorzitter van onze stichting (prof. dr. Maarten Steinbuch) is als (universitair) hoogleraar verbonden aan deze faculteit. Hij was al voorzitter toen ik in 2006 in dienst kwam en dat is hij nog steeds.

Tot zover is er dus niets nieuws. Zelden ben ik verrast door de vele leuke projecten waar hij bij betrokken is en alles onder de noemer “werk”. Zo was hij bijvoorbeeld te zien op tv, springend van enthousiasme. Het gebeurde in Mexico en “zijn team” werd wereldkampioen met de voetbalrobots. Tussendoor komt hij met regelmaat op tv als het gaat om elektrische auto’s en dan in het bijzonder de Tesla.

Maar vorige week hoorde ik over zijn betrokkenheid bij iets dat mij het afgelopen jaar veelvuldig heeft bezig gehouden. Iets waarvoor ik alle registers uit de kasten heb moeten trekken, enkel om mijn gevoel te kunnen volgen en “mijn zin te krijgen”. Of het op toeval berust of zo heeft moeten zijn … geen flauw idee. Ik weet nog maar weinig behalve dat ik met stomheid geslagen ben.

Ik ontdekte hoe dicht ik bij een bijzonder vuur blijk te zitten. Een “vuur” dat gelukkig in mijn geval niet “te laat” gaat komen. Ik had het uiteindelijk niet nodig. Maar het kan allesbepalend zijn of worden voor (toekomstige) lotgenoten.

In het gebouw waarop ik vanuit mijn kantoor uitzicht heb, blijkt een operatieassistent te zijn ontwikkeld. Het onderzoek is zelfs in een ver gevorderd stadium. Nog even en de assistente krijgt haar diploma (grammaticaal ga ik er van uit dat deze assistente vrouwelijk is [la macchina]. Deze assistent is namelijk niet van vlees en bloed. “Klonen” is immers niet een specialisme dat thuishoort bij werktuigbouwkunde. Het gaat hier om een robot, een microchirurgierobot om precies te zijn.

Een collega vertelde dat zij deze robot had gezien toen ze toevallig bij de faculteit was en dat onze voorzitter hierbij betrokken zou zijn. De benodigde informatie vond ik op internet. Onze voorzitter blijkt niet zomaar een beetje betrokken te zijn. Hij zit er met zijn neus bovenop.

Enige tijd geleden werd hij benaderd door een plastisch chirurg van het Academisch Ziekenhuis Maastricht (AZM) met het verzoek een oplossing te zoeken om microchirurgie te vereenvoudigen en daarmee de wachtlijsten aan te kunnen pakken. Als immers meer chirurgen dit soort specialistische ingrepen kunnen verrichten dan kunnen wachtlijsten drastisch worden verkort. Feit blijft natuurlijk dat niet ieder ziekenhuis een soortgelijke ingreep zal kunnen opnemen binnen het pakket. Er blijft altijd de noodzaak van een uitgebreid medisch team van anesthesie tot algemene en plastische chirurgie. De robot zal het (vooralsnog) nooit zonder mensenhanden kunnen stellen. Het specialisme zal nooit worden zo eenvoudig worden dat deze zal worden vergeleken met een gemiddelde blindedarmoperatie. Het blijft een grote, tijdrovende operatie waarbij de patiënt vele uren onder narcose dient te worden gehouden. Maar als meer plastisch deze ingrepen kunnen en mogen uitvoeren doordat de inzet van deze robot de ingreep haalbaar maakt, kan de optie voor deze ingreep op grotere schaal worden aangeboden terwijl de wachttijden tegelijkertijd kunnen worden ingekort.
Maar zo ver is het nog niet. Voor het einde van dit jaar worden de eerste resultaten verwacht en. Niet in de laatste plaats voor het onderzoek om de robot te perfectioneren. Nog dit kalenderjaar worden de eerste klinische resultaten verwacht en zal de robot laten zien wat zij kan.

Vervolgens moeten de ziekenhuizen en zorgverzekeraars worden overtuigd van de meerwaarde van de operatieassistente.
Er moeten operatiekamers worden ingericht en voorbereid op haar komst en van haar “collega” microchirurgierobots.

De dag voordat ik via deze methode werd geopereerd (zonder deze assistente maar door een zeer vakkundig team [gelukkig zonder trillende handen], promoveerde Raimondo Cau op dit onderzoek. Hij is de werktuigbouwkundige die dit onderzoek mocht oppakken en uitvoeren onder begeleiding van onze voorzitter.

Ik bezocht hem in het lab en zag de robot die hij heeft ontwikkeld. http://www.tue.nl/universiteit/nieuws-en-pers/nieuws/31-01-2014-nieuwe-microchirurgierobot-is-vijf-keer-preciezer-dan-mensenhand/. Deze robot is in staat vijf maal nauwkeuriger en trillingvrij te opereren, zelfs daar waar de hand en van een plastisch chirurg niet kunnen komen met hun instrumentarium.Het werkt simpel uitgelegd een beetje zoals het digitale tekenbord van onze oudste dochter. Met een pennetje tekent ze op een plaat en op het beeldscherm van de aangekoppelde computer verschijnt het resultaat van haar bewegingen. Een beetje vergelijkbaar, maar dan “een beetje” anders. De chirurg heeft de beschikking over joysticks. Diens bewegingen worden door een robotarm met hetzelfde instrument in de greep uitgevoerd. Zo kunnen bloedvaten nog nauwkeuriger aan elkaar worden gehecht. Ook kan de robotarm tussen het borstbeen door daar waar de chirurg zelf niet kan komen zonder een stukje borstbeen te verwijderen. Ik kan precies voelen waar bij mij een stukje is verwijderd. Dat onderdeel van de ingreep zorgde in mijn geval zelfs nog even voor wat commotie in de operatiekamer en drukte op de verpleegafdeling toen ik weer terug was op mijn kamer op de verpleegafdeling. Nadat het stukje borstbeen was verwijderd, werd er in mijn geval namelijk geen longvliesje aangetroffen. Hierdoor was er een groter risico op een klaplong. Niet zo handig, zeker niet als een groot deel van je romp open ligt. Het gevolg was dat er behalve de algemeen chirurg met ondersteunend team, twee plastisch chirurgen ieder met een eigen team en de anesthesist met assistent ook nog een thoraxteam werd toegevoegd aan het gezelschap dat met mij bezig mocht zijn.

Ook toen ik terug was op mijn kamer, wisselden de teams elkaar af met hun bezoekjes en controles, ieder hun eigen deeltje.

Gelukkig werd mijn DIEP-flap zonder hun toekomstige “collega” een groot succes en is deze bovendien al achter de rug. Want nu ik weet dat deze robot wordt ontwikkeld en dat met die robot de kans op mislukken van de ingreep verder kan worden beperkt en bovendien als doel heeft de wachtlijsten te verkorten, weet ik wel wat ik zou zeggen (en zeker zou denken). Ik zou mijn operatie willen uitstellen om te wachten op de nieuwe “collega”. Het team dat mij heeft geopereerd, doet deze ingreep met grote regelmaat, op basis van veel ervaring.

Stel dat de reconstructie door “menselijke” beperkingen zou zijn mislukt. Hoe had ik me dan gevoeld? Maar de volgorde was correct en zoals deze blijkbaar heeft moeten zijn. Nu kan ik met nog meer overtuiging lotgenoten aanbevelen te gaan voor een reconstructie met eigen weefsel. Zij die de diverse mogelijkheden bij borstreconstructie tegen elkaar proberen af te wegen, moedig ik aan om als het even kan te kiezen voor de DIEP-flap of andere geschikte vorm met eigen weefsel”. Het blijft onverminderd een enorme ingreep, maar het resultaat is het waard.

De robot is – zo vertelde Raimondo Cau – uitgerust met nog een extra vaardigheid die de – al is deze nog zo ervaren – plastisch chirurg niet met eigen handen kan verrichten. De robothand kan namelijk een nieuwe verbinding tot stand brengen tussen het lymfsysteem en een bloedvat nadat de lymfklieren zijn verwijderd. Door deze nieuwe aansluiting wordt het risico op lymfoedeem in feite gereduceerd tot “nul” (?). Het probleem na verwijderen van lymfklieren is voor veel lotgenoten een grote dagelijkse en bovendien levenslange last/beperking. Deze enorme verbetering qua voorzichten voor vele (toekomstige) lotgenoten maakte mij sprakeloos. Ik kon alleen nog maar zeggen “wow, wow en nog eens wow”.

De stichting waarvoor ik werk heeft als belangrijkste doel kinderen te interesseren voor techniek (waaronder ook werktuigbouwkunde) zodat zij een studie kiezen in binnen de techniek. Lang niet alle kinderen komen uiteindelijk op de universiteit, maar techniek is er op alle niveaus.

Blijkbaar zijn er meisjes die kiezen voor de zorg omdat ze techniek “eng” vinden of “iets waar je vies van wordt”. Ik moet bekennen dat ik ook ooit dat idee had. Maar mijn vader had een loodgietersbedrijf en mijn jongste (oudere) broer deed werktuigbouwkunde aan de MTS. Zij hadden altijd vieze handen. Ik koos dus niet voor techniek maar de hoofdreden lag bij mij vooral aan het feit dat ik stam uit het “pretpakket tijdperk”. In die jaren kon je je nog heel eenvoudig ontdoen van vakken die je niet lagen. Slechts Nederlands en Engels waren verplicht.


Het eerste dat “techniek-ontwijkende-meisjes” in de zorg tegenkomen (bijv. een ziekenhuis) is een patiënt omringd door techniek.

Toen ik uit mijn acht-uur-durende-narcose kwam, puilde mijn kamer nog net niet uit van de techniek. Er paste nog net medisch personeel bij om de techniek te bedienen. Zo was er een machine die (luidruchtig) mijn longfunctie in de gaten te hield. Voorafgaand aan de operatie hadden de algemeen chirurge en de plastisch chirurge mij in steunkousen gehesen. Dit gebeurde tussen de bedrijven door terwijl een verpleegkundige het infuus aansloot en de assistent-anesthesist zijn voorbereidingen op het werk van de anesthesist verrichtte. Bij het ontwaken uit de narcose bleken de steunkousen te zijn omhuld door mechanische aangedreven soortgenoten. Gezamenlijk doel was trombose te voorkomen tijdens en na de operatie als ik nog niet of nauwelijks mobiel zou zijn. Verder werd er die avond, nacht en volgende dag aanvankelijk ieder uur (geleidelijk werd die regelmaat afgebouwd) met een doppler apparaatje geluisterd naar het bloedvat in mijn “buikborst” welke het verplaatste weefsel voortaan blijvend moest voorzien van doorbloeding.

Ook het rode alarmknopje bestaat “dankzij werktuigbouwkunde”. Het is de levenslijn van de immobiele patiënt die zijn of haar “behoefte aan gezelschap of andere nood” kenbaar kan maken aan de verpleging op afstand. Wat was het lastig toen dat systeem ’s avonds uit de lucht ging. Op alle verpleegkamers hing een A4-whiteboard en daarop werden de telefoonnummers geschreven welke in geval van nood dienden te worden gebeld.



Waar we vandaag de dag ook kijken, waar we ook zijn, bijna alles heeft zijn oorsprong of herkomst te danken aan werktuigbouwkunde. Je zou met gemak vergeten of niet eens beseffen dat ook onze (voor velen) inmiddels onmisbare mobiele telefoons (iedere patiënt bleek er wel een te bezitten) hun ontstaan danken aan werktuigbouwkunde.

In een show die voorheen door Stichting Techniekpromotie (daar werk ik dus) werd verzorgd (tegenwoordig hoort de activiteit bij TU/e junior) wordt kinderen op basisscholen uitgelegd dat vrijwel alles om ons heen bestaat (mede) door en/of dankzij werktuigbouwkunde. Het begint met Jantje “de holbewoner” die het wiel uitvindt en daarna een kar die zich ontwikkelt tot mega-voertuig. Maar van gsm tot spelcomputer en van Spaceshuttle tot Marsrover en ook de stoel waarop we zitten heeft er mee te maken.

Sinds een paar jaar heb ik zelfs “werktuigbouwkunde” in mijn lichaam. Ik heb metalen plaatjes in mijn voet. Sinds juni 2013 heb ik nog een knap staaltje (tijdelijke) techniek in mijn lijf. Aan een van mijn bloedvaten is een port-a-cath gekoppeld. Dit onderhuidse prikkastje maakt(e) de afgelopen chemo- en herceptin infusen en nog komende herceptin kuren zoveel makkelijker. Het is bovendien een “power” variant waarbij ook contrastvloeistof kan worden toegediend onder hoge druk en ook kan er via deze poort bloed worden afgenomen (als dat nodig zou zijn). Bij ieder onderzoek dat ik het afgelopen jaar heb ondergaan, heb ik steeds gedacht en gevoeld “wow, wat een techniek”.

Als ik nog voor een studiekeuze zou staan dan was het geen angst voor techniek om een andere richting op te gaan. Dan zou ik waarschijnlijk zelfs hebben geploeterd om iets van wiskunde te begrijpen.

Binnenkort wisselt onze stichting van locatie. We verhuizen naar een ander deel van het gebouw. Maar als het goed is, blijft mijn uitzicht gehandhaafd en krijg ik een kamer aan dezelfde zijde. Zo hou ik mijn uitzicht op Gemini-Noord.

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen