donderdag 8 augustus 2013

Familieverhalen - gastvrijheid


In het hart van mijn oma was oneindig veel ruimte met liefde voor iedereen. Haar hart leek wel de tas van Douwe Dabbert of Mary Poppins. Alles kon er in en niets dan liefde kwam er uit.

Nadat oma door toedoen van mijn overgrootvader tien jaar had moeten wachten op haar huwelijk met opa, kreeg ze er op haar trouwdag twee bonuskinderen bij. Annie was bijna 8 en Jantje was net een jaar. Hun moeder was een half jaar eerder aan de gevolgen van de geboorte van haar tweede kind overleden. Oma hield niet minder van haar bonuskinderen dan van de negen die ze zelf zou baren. Opa op zijn beurt was minstens even trots op zijn nageslacht.

Maar oma had een oneindige liefde. In 1920 kwam het eerste pleegkind in het gezin. Aurelia kwam vanuit Hongarije aansterken in Nederland. Haar eigen land was na WO-I nog in diepe armoede en honger gedompeld. De kinderen kwamen in het verre Nederland om aan te sterken. Toen de fotograaf het gezin portretteerde, was het een grote groep. Op de foto staan opa en oma en de ouders van oma . Daaromheen staan de broers en zussen van oma met hun partners.  Behalve de 5 kinderen uit de twee huwelijken van opa staan er ook de drie kinderen op van een van oma’s broers. Aurelia is het middelpunt, zij hoorde inmiddels bij het gezin, ook al was dat tijdelijk.


Als vrouw van de koster ontfermde oma zich over de seminaristen die waren overgeleverd aan de nukken van meneer Pastoor. Dat was namelijk geen lieverdje, zijn huishoudster evenmin. Als een van hen ontdekte dat een van de jonge priesters-in-opleiding een scheurtje of vlek had in zijn kleding dan was het hek van de dam. Oma zorgde er altijd voor dat deze schade onopgemerkt bleef. De jonge mannen kwamen ondanks hun roeping graag bij opa en oma over de vloer. In het piepkleine huisje van de koster-met-acht-dochters (en-drie-zonen) was het immers goed toeven. Ze konden altijd zeggen dat ze kwamen voor aanspraak met de zonen-van-de-koster. En in dat kleine huisje werd veel gelachen. Maar er waren ook zorgen.

Een veel te kleine meisjestweeling in 1923 die samen in een schoenendoos naar het ziekenhuis gingen direct na hun geboorte. Die twee werden overigens beiden hoge tachtigers (85 en bijna 90).Een van de andere dochters kreeg kokend heet water over zich heen. Spelend en springend bij de kachel, trilde een ketel water van die kachel af en een van moeders zusjes kreeg het hete water over zich heen. Annie was inmiddels verpleegster. Zij stond ernaast, zag het gebeuren en greep instinctief naar een kan met nog niet afgeroomde melk van de boer (de buurman). Die gooide ze in het gezicht van haar kleine halfzusje. Door die instinctieve handeling heeft ze een normaal leven kunnen leiden. Haar hals en borstbeen waren verminkt, maar het gezicht was ongeschonden. Wijkverpleging kwam een jaar lang dagelijks voor hulp. Dit gebeurde ergens eind jaren twintig van de vorige eeuw.

In de oorlogsjaren waren er ook logees. Voor deze gastvrijheid riskeerden mijn opa en oma en hun al-dan-niet-volwassen-kinderen hun leven. Ze werden gestuurd door hun hart en menslievendheid. Een van de zonen was leider van het Voorschotens verzet en de rest van het gezin streed mee. Onderduikers werden opgenomen. Opa wees als verstopplaats voor wapens van het verzet het lijkenhuisje op het kerkhof aan. Daar zou niemand zoeken. Bij het uiteindelijke verraad betekende dit zijn oneervolle ontslag als koster door meneer Pastoor. Een eerherstel volgde later maar heelde niet alle wonden.

De laatste maanden van de bezetting hebben ze met hun dochters op diverse plaatsen moeten onderduiken en werden ze zelf afhankelijk van de menslievendheid van anderen. Het hele gezin bracht het er levend van af. Allen konden het navertellen. De verhalen zijn soms bloedstollend. Wat hebben wij het makkelijk in een land dat al zo lang zonder oorlog leeft.

Mijn vader kon de dienstplicht op wonderlijke wijze ontlopen. Een heldhaftige gemeenteambtenaar bedacht zich geen moment toen hij zich het belang van het persoonsregister realiseerde. Hij pakte het bij elkaar en liet het verdwijnen. Een in 1925 geboren jongeman uit Voorschoten zoals mijn vader kon op die manier zonder problemen verdoezelen hoe oud hij werkelijk was en uit handen van de bezetter blijven.

Na WO-II kwam er in de jaren vijftig opnieuw een meisje vanuit het buitenland. Dit keer was het een meisje uit Oostenrijk. Eind jaren vijftig kwamen kinderen uit minder bedeelde gezinnen naar het verhoudingsgewijs welvarende Nederland om aan te sterken. Christel kwam bij mijn moeders familie in het gezin. Zij sprak geen Nederlands en mijn moeder en oma geen Duits. Als de behoefte groeide om zich duidelijk te kunnen maken vroeg ze wanneer de nog thuiswonende zus van moeder thuis zou komen van haar werk. Zij sprak wel Duits net als Onkel Kees. Dan vroeg Christel wanneer hij weer langs kwam. Onkel Kees was mijn moeders verloofde, mijn vader.

Het eerste jaar kwam ze een armoedige garderobe. Het stelde niet veel voor. Mijn moeder naaide, waarschijnlijk met wat hulp van oma die immers ook ooit naaister was geweest, een volledige nieuwe garderobe. Oma was van de oude garde ‘van naald en draad’. Nooit heeft zij achter een naaimachine gezeten. Alles maakte zij met de hand. Zo maakte ze ooit als veertienjarig meisje met naald en draad een feestjurk van een lap stof die ze door haar moeder naar zich toe kreeg geworpen. Overgrootmoeder had een feest en oma maakte die jurk. Zo voorzag ze ook al haar kinderen en man van de benodigde kleding. Dit alles natuurlijk tussen de andere taken van een huisvrouw en moeder van groot gezin van die tijd door. De wasmachine bestond nog niet. Aardappels schillen voor een gezin van 13 betekende een teil met aardappels. Spinazie voor zoveel personen werd gewassen in een badkuip.

Een jaar later kwam Christel opnieuw logeren. Dit keer bleken haar koffers bij aankomst in Nederland leeg te zijn. De stille hint werd niet genegeerd, er werd zelfs om gelachen. Christel ging na haar vakantie in Nederland terug naar Oostenrijk, opnieuw met koffers gevuld met nieuwe kleren. Christel hield contact. Ergens in de jaren tachtig kwam ze op bezoek bij mijn ouders. Ze kwam met haar man en kind. Al die jaren had ze haar familie verteld over dat Nederlandse gezin waar ze zo gastvrij en met zoveel liefde was opgevangen. Ze wilde hen laten zien wie dat waren. Het weerzien was hartelijk.

Het huwelijk van mijn ouders lijkt overigens al voor hun beider geboorte in 1920 te zijn voorbestemd bij het maken van de familiefoto. Een zus van oma was getrouwd met een broer van mijn vaders vader. Een broer van mijn oma was op zijn beurt getrouwd met een zus van mijn vaders vader).

Mijn ouders, beiden geboren en getogen in Voorschoten, groeiden op met gezamenlijke ooms en tantes en hebben elkaar dus altijd gekend. Op verjaardagen van ooms en tantes kwamen ze elkaar vanzelfsprekend tegen. Maar ongetwijfeld ook bij vele andere gelegenheden. Op een dag belde mijn vader aan bij het ouderlijk huis van mijn moeder. Hij vroeg naar haar. Ze was niet thuis, ze logeerde in Waalwijk bij haar zus. Hij vertelde de andere zussen van moeder dat hij haar mee wilde vragen naar een feest van de brandweer. De zussen van mijn moeder lachten en vertelden dat hij haar best een kaartje mocht sturen, maar dat ze vást niet terug zou komen. De geschiedenis vertelt echter dat mijn moeder direct uitriep “ik moet naar Voorschoten” en dat ze haar spullen heeft gepakt. Ze is op de bus gestapt en is daarmee de Langstraat afgereden, terug naar Voorschoten.

Mijn moeder kende haar eigen grenzeloze gastvrijheid. Familie, vrienden van haar kinderen, hoogbejaarde vrouwtjes in het verzorgingshuis die verlegen zaten om aanspraak of verstelwerk van kleding hadden, het maakte niet uit. Ze liep iedereen na. In de veronderstelling dat ze nooit oma zou worden, paste ze op de kinderen uit de buurt. Er was zelfs een babyfoon verbinding die via een draadje vier huizen doorgetrokken werd over de erkertjes van de voorgevels. Voor al die kinderen maakte ze kleren en anders werden de poppen van die kinderen wel van kleren voorzien.

Mijn moeder was kordaat. Toen onze buurman in de jaren tachtig belde dat hij ook ziek was, twijfelde ze geen seconde. Je zei: “dan kom ik nu de baby halen”. Ons buurjongetje was amper twee weken oud. Zijn door de bevalling verzwakte moeder was geveld door de griep. Nu was ook zijn vader getroffen door dezelfde epidemie. Het zusje van bijna vier was al aan een tweede ronde van diezelfde griep begonnen. De baby werd in veiligheid gebracht. Mijn zus en ik hadden tien dagen lang ons gedroomde babybroertje. Dagelijks liep moeder heen en weer om ook de ziekenboeg bij te staan. De ziektekiemen liet ze vervolgens op wonderbaarlijke wijze weer achter.

Nu hoef ik vast niet te vertellen wie er voor mij zorgde toen ik al jaren het huis uit was en strandde met een hernia. Toen het niet meer ging met de pijn belde ik op met de vraag of ik een tijdje naar huis mocht komen. Alsof het de normaalste zaak van de wereld was, werd ik opgehaald. Een tijdje werd zomaar vier maanden voordat ik weer in staat was naar mijn eigen stek terug te gaan. 

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen