zaterdag 5 november 2011

"Margriet, bel even met Popov"

Jaren terug (we hebben het over 1989) werkte ik bij de Rijksdienst Beeldende Kunst en op een maandag kwam de directeur bij mij binnengelopen op het secretariaat met een verzoek. Zijn eigen secretaresse (een mannelijke uitvoering, maar de functie secretaris is natuurlijk anders – dus secretaresse) was met vakantie en er moest iets geregeld worden.
Hij was kort tevoren in Rusland geweest en had daar ene Popov gesproken, niet de clown dat snapte ik wel maar ik vroeg ook niet wie het wel was. Nu werd er het aankomende weekend een Chagall tentoonstelling geopend in Frankfurt en daar zou Popov ook komen. De directeur wilde Popov nog een keer spreken. Het ging ongetwijfeld over de Königs collectie uit het Hermitage. Dat kon ik ook wel raden. Er was een toegangsbewijs nodig en het idee was dat ik even zou bellen naar Popov om een kaartje te laten reserveren.

Zo gezegd, zo gedaan, zou je denken. We spreken over de eind jaren 80 van de vorige eeuw. Via het hoofd afdeling Collecties kreeg ik een telefoonnummer van de Consul in Moskou. Die had vast wel een telefoonnummer of kon het misschien wel regelen. De Consul wist wel beter. Toen ik hem het verhaal had gedaan, gaf hij mij het telefoonnummer van meneer Popov. Op de een of andere manier wist ik nog steeds niet wie die goede man was. Vol goede moed begon ik aan mijn taak en belde weer naar Moskou. Kreeg iemand aan de lijn die ook nog Engels sprak, dat was handig want verder dan ‘da’ en ‘njet’ kom ik niet … Die man die ik sprak, hoorde mij aan en vertelde de boodschap door te geven, in ieder geval werd ik niet doorverbonden. Natuurlijk kreeg ik geen telefoontje terug en een dag of wat later – het was alweer donderdag – belde ik nog maar eens het nummer van meneer Popov. Deze keer kreeg ik een jongedame aan de lijn die het bijzonder interessant leek te vinden dat het buitenland aan de telefoon was en zonder enig probleem werd ik doorverbonden met meneer Popov.

Een bijzonder vriendelijke man – zo ervoer ik hem tijdens het gesprek dat wij voerden. Mijn directeur die wist hij zeker nog te herinneren. Hij wilde hem ook wel spreken. Een kaartje regelen dat kon hij wel proberen maar het kon wel moeilijk zijn want naar het buitenland bellen, was nogal moeilijk vanuit Moskou. Behulpzaam en creatief stond ik klaar met mijn oplossing. Als hij het nummer voor mij had van het museum in Frankfurt, dan kon ik best bellen, het was ons buurland en dat moest geen probleem zijn. Ik kreeg het telefoonnummer, belde met het secretariaat in Frankfurt en kreeg de toezegging dat het geen enkel probleem was en als mijn directeur zich zou melden diezelfde zondag, dan lag er een toegangsbewijs voor hem klaar.

De middagpauze was voorbij en mijn directeur kwam terug van een lunch bij de Rotary club of Sociëteit de Witte. Daar ging hij meestal heen. Ik vertelde hem vrolijk dat het gelukt was, ik had Popov gesproken en het kaartje zou zondag aanstaande voor hem klaar liggen.

Het volgende moment was goud waard. Zijn onderkaak viel naar beneden en hij riep uit “heb jij Popov gesproken? Niemand krijgt hem aan de telefoon te spreken zelfs de ambassadeur niet”. Toen vond ik het tijd om er achter te komen wie Popov nu eigenlijk was … Popov was de minister van Cultuur.

Ik bedacht mij dat ik jaren eerder door de gangen van het ministerie van Economische Zaken had lopen rennen en zoeken naar een van onze medewerkers want ik had iemand voor hem aan de lijn, nl. ene ‘Van Aardenne’ en bij mijn weten was dat toen onze minister. Wist ik veel dat er nog een ambtenaar met die achternaam rondliep bij hetzelfde ministerie …

Ik wilde nog aan mijn directeur waarom hij dat niet gewoon gezegd had. Dan had ik gewoon gezegd dat ik de man niet te spreken had gekregen en mij verder niet als een pitbull in deze opdracht vastgebeten.

Voor mijn moeder was het een pronkverhaal om rond te vertellen. Haar dochter, die kon iedereen wel aan de telefoon krijgen.

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen