zondag 1 september 2013

Kankeren – het werkwoord

Toen ik afgelopen maandag ’s-avonds de poort opende om de hond uit te laten, kwam onze dochter net thuis van een vriendin. Ze vroeg of ze mee mocht. Bijzonder, want dat wil ze bijna nooit. Ze begon te praten en vertelde over een leraar die ze vorig jaar aan het begin van het jaar wel aardig vond maar inmiddels niet meer. Hij blijkt een werkwoordelijke vervoeging van kanker als ‘stopwoord’ te gebruiken. Hij verwijt de leerlingen in zijn klas dat ze ‘lopen te kankeren’.

Marieke vindt dit niet normaal. Ze begrijpt het niet. Al helemaal niet omdat deze docent op de hoogte is ‘dat haar moeder borstkanker heeft’. Maar ze begrijpt het ook niet om andere redenen. “Mam”, zei ze “die man is al zeker vijftig. Zoiets doe je toch niet als je al zo oud bent. Dat zeg je toch niet tegen kinderen?!”.

Ze heeft groot gelijk. Zij is bovendien niet de enige die het opvalt. Ze had een vriendin/klasgenoot in haar nieuwe klas verteld over zijn taalgebruik. Al tijdens een van de eerste lessen van het nieuwe schooljaar gebruikte hij het werkwoord opnieuw tegen zijn leerlingen. Marieke vertelde hoe zij en haar vriendin elkaar verbijsterd aankeken. Vervolgens vertelde ze hoe deze docent aan de klas vroeg wie er al een onderwerp wist voor zijn/haar profielwerkstuk. Marieke vertelde dat zij en haar vriendin ‘borstkanker’ als onderwerp hadden gekozen. De docent vertelde vervolgens aan de klas dat Marieke daar een heel goede reden voor heeft … Deze ongevraagde aanvulling maakte de verbijstering van Marieke nog groter. Vlak na het gebruiken van dat voor haar onbegrijpelijke werkwoord benoemt hij immers de ziekte zelf als iets heel ergs. Ze vroeg mij wat ze moest doen.

We spraken af dat ze het bij de mentor, die ze gelukkig goed kent, ter sprake zou brengen. Als dit niet zou helpen, beloofde ik het hoger op te zoeken. Eigenlijk vind ik dat dit per definitie moet gebeuren want een docent die zijn of haar leerlingen zo aanspreekt, vind ik niet kunnen. Schelden en vloeken hoort niet. Dat proberen we dan ook onze kinderen bij te brengen.

De eerlijkheid gebiedt mij op te biechten dat ik ook wel eens scheld en/of vloek. Meestal lukt het mij een synoniem te gebruiken. Afgelopen week faalde ik groots na de zoveelste aanval van de zoveelste wesp die mijn kamer op kantoor was binnengedrongen en mij steeds opnieuw inspecteerde. Collega’s aan het einde van de gang hoorden mij vloeken. Ik was behoorlijk geprikkeld. Mijn hartslag gaat nu al omhoog als ik bedenk dat het feest morgen weer opnieuw begint.’Mijn raam dicht houden’ heeft geen zin. Ze komen namelijk van de andere kant van het gebouw waar vanwege het mooie weer de ramen openstaan. Het parkeerterrein aan die kant van het gebouw wordt versierd door vruchtdragende bomen waar blijkbaar talloze wespennesten in huizen. Al jaren komen we verdwaalde exemplaren in onze kantoren tegen, maar dit jaar zijn het er onevenredig veel meer.

Het lukt mij niet continue te onthouden dat ik de deur van mijn kamer dan maar dicht moet doen. Ik mis ook het begrip waarom juist ik mijn deur dicht moet houden. Die beesten komen niet via mijn raam naar binnen. Het lijkt mij effectiever als alle ramen aan die kant van het gebouw potdicht blijven. Maar dat is blijkbaar teveel gevraagd. Mijn teruggekeerde fobie voor wespen is mijn probleem. Jarenlang had ik mijn fobie onder controle, maar is nu in volle hevigheid terug. Maar goed dat is een andere discussie. Er zijn in ieder geval geen kinderen in de buurt als ik mijn onbeheersbare angst en schrik – op een ongewenste manier – uit. In de kast heb ik nog wel wat oxazepammetjes liggen om rustig te blijven gedurende de aanvallen die mijn concentratie onderuit halen.

Terug naar de docent. Deze docent geeft Nederlands en heeft inmiddels de leerlingen laten weten dat ‘kankeren’ een officieel werkwoord is. Daarin heeft hij gelijk. Kankeren staat in het woordenboek. Het Groot woordenboek van de Nederlandse taal 14 van Van Dale zegt er het volgende over:

kankeren
kan·ke·ren
kankerde; is en h. gekankerd
(1401-1500 ‘invreten, voortvreten’) van kanker
woordvormen
I
onovergank. werkw.
1
·
de kanker hebben, kankerig zijn
2
·
(van kwaad) als kanker weg-, invreten, zich woekerend verspreiden
3
·
ontevreden, knorrig afgeven op toestanden en personen, morrend mopperen
hij loopt altijd te kankeren
3
·
zij zat altijd op me te kankeren
II
overgank. werkw.
1
·
(weinig gebruikt) plagen, pesten


Maar diezelfde Van Dale geeft ook  synoniemen die geen ziekte gebruiken om het ongenoegen te kunnen uiten als leerlingen niet meewerken. Kankeren is dus een vorm van mopperen. Ik kan mij niet voorstellen dat de leerlingen zodanig lopen te mopperen dat het taalkundig gezien, vergelijkbaar wordt met een levensbedreigende ziekte. Als leerlingen dusdanig ontevreden zijn, dan vraag ik mij toch wel af of er misschien een aanwijsbare reden is voor dat gemopper. Want zeg nu zelf, als ze allemaal altijd lopen te kankeren, dan moet er toch iets aan de hand zijn.

In ieder geval is het een omgekeerde wereld wanneer kinderen hun docenten en/of volwassenen moeten aanspreken op hun taalgebruik. Ruim dertig jaar geleden sprak ik ook een docent aan op zijn gedrag. In de gang bij de conrector begon hij aan zijn boterham. Leerlingen mochten ook in die tijd alleen eten en drinken in de aula of buiten de school. Poeslief vroeg ik hem of op docenten andere regels van toepassing waren. Ik geef toe: ik was een brutaaltje en al helemaal niet op mijn mondje gevallen. Bovendien was een stevig meningsverschil de aanleiding waarvoor wij een gesprek met de conrector moesten aangaan. Bij het zien van zijn eerste hap was ik enkel en alleen uit op het scoren van een tweede punt. Het eerste punt had ik op dat moment al gratis binnengehaald toen hij zonder te kloppen naar binnen stormde bij de conrector. Ik had hem nog wel gewaarschuwd dat deze telefonisch in gesprek was. Hij werd vervolgens terug verwezen naar de gang vanwege dat telefoongesprek. Bij de eerste hap in zijn boterham ging het mij dus om een 2-0 voorsprong.

Maar bij Marieke gaat het om heel iets anders. Het gaat hier immers niet om een boterham die je wel of niet in de gangen mag opeten. Het gaat om een vreselijke ziekte waar zij zich persoonlijk door bedreigd voelt via mij. Degene die in haar ogen fout bezig is, is niet eens een klasgenoot maar degene die een voorbeeldfunctie heeft naar haar en haar klasgenoten. Die functie is deze docent blijkbaar helemaal uit het oog verloren en daar gaat het mijn meisje om. Wat ben ik trots op haar.

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen