zondag 8 september 2013

Mama was onsterfelijk!

De jaren vliegen voorbij en opeens is het alweer twaalf en een half jaar geleden. Als ik de jaren voluit schrijf, lijken ze een beetje op hoe vreselijk lang dat al weer is. Twaalf en een half jaar geleden is het dus dat ’s avonds de telefoon ging. Het was Ellen, mijn schoonzusje. Met verstikte stem vertelde ze dat ze “HEEL ERG SLECHT NIEUWS HAD”. Het nieuws was zo slecht dat het niet eens als ‘begrip’ in ons woordenboek voorkwam en al evenmin in onze spreektaal. Een onmogelijke gebeurtenis sloeg de fundering onder ons bestaan in één klap tot stof.

Mama was namelijk onsterfelijk, zij kon niet dood gaan. Maar ondanks dit FEIT werd in de avond van donderdag 8 maart 2001 onze begrippenlijst ongevraagd en zonder onze goedkeuring met een nieuw en ongewenst begrip aangevuld.

De inhoud, het verloop en einde van vrijwel ieder boek of film ben ik bij het einde meestal al weer vergeten. Maar de gebeurtenissen van 8 maart 2001 vormen een film die ik met het grootste gemak in gedachten kan terugkijken. Op die onheilsdag was ik ’s middags met de kinderen op verjaardagsvisite bij het boezemvriendje van Martijn; hij was drie geworden. Al bij aankomst op mijn werk had ik die ochtend een rotgevoel. Een gevoel dat mij aanspoorde naar mama te gaan. Beter gezegd: het schreeuwde: “ga naar Leiderdorp, ga naar het ziekenhuis, je MOET naar mama toe”. Mama lag sinds een week in het ziekenhuis. Nadat ze al een paar dagen had rondgelopen met onduidelijke maagklachten, was ze vrijdags door de huisarts naar het ziekenhuis gestuurd – naar de internist. Daar aangekomen stond echter een cardioloog in het startblok. Hij maakte een hartfilmpje en constateerde dat ze al een paar dagen rondliep met een licht hartinfarct.

Ik vertelde iedereen die het wilde horen over dat rotgevoel. Zowel een collega als mijn vriendin reageerden dat ik dan moest gaan. Maar ik luisterde naar mijn domme verstand. Een onwetend verstand vertelde mij als volgt. “Het ging haar goed en het was niet handig”. Gert-Jan had late dienst; ik had drie kinderen die mij nodig hadden. Mama was in goede handen.”

Onbewust van de onfeilbare kwaliteiten van mijn onderbuik bleef ik in Veldhoven. Maar nog diezelfde avond werd de fout in mijn beslissing duidelijk. Terwijl het bezoek nog  maar amper het ziekenhuis had verlaten, werd mijn zusje op haar mobieltje gebeld door het ziekenhuis. Mijn vader hield op dat moment de vaste telefoonlijn bezet terwijl hij mij vertelde “hoe goed het ging met mama”. Voor het eerst was hij niet meegegaan naar het bezoekuur. Het ziekenhuis vroeg mijn zusje zo snel mogelijk met papa te komen want ze waren mama aan het reanimeren.

Kort daarna ging bij mij de telefoon. Ik zie hoe de beelden veranderen in slow-motion en hoe ze hun kleur verliezen en zwart-wit worden als Ellen vertelt waarom ze belt. Ik zie mijzelf nog schreeuwen naar de telefoon. Ik huil en schreeuw en er komt niets anders uit dan “NEE … NEEEE … NEEEEEEEEEEE”. Ik zie mijn fundering tot stof veranderen als Ellen vertelt wat er is gebeurd, dat reanimatie niet mocht baten en dat mama is overleden.  Ellen vraagt of Gert-Jan thuis is. Op de een of andere manier weet ik haar te vertellen dat hij op zijn werk is en wat zijn mobiele nummer is.

Ellen kon niet aan de lijn blijven. Ze moest immers Gert-Jan bellen, daartoe was ik niet meer in staat. Bovendien had ze nog iemand te troosten: mijn grote broer Frank. Ik kan mij niet herinneren dat ik hem ooit eerder in tranen zag.

De film loopt langzaam door en ik zie hoe ik mijn overbuurvrouw/de oppasmoeder van onze kinderen bel. Ik zie en hoor mijzelf antwoorden als ze de telefoon opneemt. Ik zie en hoor mij zeggen: “Monique, wil je alsjeblieft komen. Mama is dood en ik weet niet wat ik moet doen”. Terwijl ik de verbinding verbreek maak ik de voordeur open.
Even babbelen met oma op oma's feest: 40 jaar getrouwd.
De film draait verder en onze vierjarige Merel komt de trap af en vraagt waarom ik huil. Ik zie hoe ik haar oppak en hoe ik haar moet vertellen dat de allerliefste-oma-van-de-wereld er niet meer is. Ik zie ook hoe Monique er is en hoe wij gedrieën huilen en nog steeds huilen als Gert-Jan – in recordtijd – arriveert.

4 november 2000
Mama bekommert zich om de kleinkinderen tijdens haar eigen feest.
Ze was 40 jaar getrouwd.
De thuisreis van mijn broer was helaas een ander verhaal. Han was die ochtend vertrokken naar Neurenberg. Dit gebeurde in overleg met en goedkeuring van de cardioloog. Deze had aangegeven dat er geen enkele reden was om niet voor zijn werk naar Zuid-Duitsland te kunnen gaan. Mijn oudste broer, Frank, zou de volgende dag met Ellen naar Rome vertrekken. Een kwartier voor haar overlijden vertelde mijn moeder nog in geuren en kleuren en honderduit over haar reis naar Rome met papa. Dat was in 1979 toen we nog maar net een piepjonge Poolse paus hadden. Ze gingen op audiëntie en zagen hem op een paar meter afstand een dreumes zegenen.

Beide broers kregen van de cardioloog dus hun eigen zegen om af te reizen. “Maar wel contact houden, want je weet maar nooit”, aldus het advies van de cardioloog. Han kwam ’s avonds laat uit een uitgaansgelegenheid toen hij de gemiste oproepen en het bericht bemerkte. Zijn terugreis met de trein vanuit Zuid-Duitsland was een – begrijpelijke – hel. Ik zie nog de verslagenheid op zijn gezicht toen hij kapot van verdriet, ongeloof en vermoeidheid in de loop van de volgende ochtend bij papa het appartement binnen strompelde.

Een paar weken eerder hadden we nog afgesproken dat ze nog minstens twintig jaar zou meegaan. Ze beloofde het “mits ze gezond en fit zou blijven”. Zou ze bij het uitspreken van die voorwaarde toen al iets geweten hebben? Wie zal het zeggen.

De dagen vanaf haar overlijden hebben we als familie in een roes beleefd. Zo was er geschikte kleding nodig. Ik kocht een veel te dure jurk, maar een die ik vaker zou kunnen dragen. Ik was mij terdege bewust dat mama zich zou omkeren nog voor ze goed en wel in haar graf lag als ik te veel geld zou uitgeven voor een-jurk-voor-eenmalig-gebruik-ook-al-was-dat-háár-begrafenis”. Daar was ze té bescheiden voor. Toen ik verdoofd in een boetiekje rondsnuffelde en een verkoopster haar hulp bood, vertelde Merel ongevraagd en ‘out of blue’ dat “mama een jurk nodig had omdat oma dood was …”. In tranen moest ik de geschokte verkoopster vertellen over de waarheid van Merel’s opmerking. Gelukkig slaagde ik in diezelfde winkel voor een jurk, want een herhaling van de tussen-neus-en-lippen-door-opmerkingen van Merel wilde ik voorkomen.

Voor de meisjes lag de kledingkeuze allang vast. Die was voorbestemd. Dat zat zo, mama had zelf voor hun jurkjes gezorgd. Met de gedachte in het achterhoofd dat-mama-onsterfelijk-was en een belofte rijker dat-ze-nog-minstens-twintig-jaar-mee-zou-gaan waren wij een paar weken tevoren uit Voorschoten vertrokken. Maar het was niet alleen een belofte die we bij ons droegen. We waren twee prinsessenjurken rijker voor het carnavalsfeest van onze dochters. Mama had zichzelf overtroffen. Ze had twee heuse prinsessenjurkjes gemaakt voor haar prinsesjes. Zeg ik “gemaakt”, maar noem het maar CREATIES. Wie bij haar binnenkwam moest er aan geloven en moest haar mooiste-jurkjes-ooit bewonderen. Stiekem verdenk ik haar ervan dat ze van het maken van die twee jurkjes nóg meer heeft genoten dan van het maken van mijn eigen trouwjurk.

In ieder geval wilden Merel en Marieke geen andere jurk aan bij het afscheid van de allerliefste-oma-die-ooit-op-deze-wereldbol-rondliep. Papa maakte er geen probleem van en besprak het met de pastoor. Deze paste zijn verhaal aan en zo kwam het dat twee prinsesjes, aan de hand van een intens bedroefde maar o-zo-trotse opa, de Laurentiuskerk in Voorschoten betraden. De pastoor vertelde de aanwezigen over deze prinsesjes en hun prinsessenjurkjes. Hij vertelde hoe hun oma deze jurkjes zo vlak voor haar overlijden had gemaakt en hoe trots ze er ook zelf nog op was geweest zo kort na haar 73e verjaardag.

Natuurlijk had ik haar overlijden nooit kunnen voorkomen en al helemaal niet door wel in de auto te springen en haar in het ziekenhuis op te zoeken. Maar ik zou haar nog een keertje hebben kunnen vasthouden. Dan had ze nog geleefd. Dan had ik haar kunnen vertellen hoeveel ik van haar hield. Had ik dat gedaan, dan was ik waarschijnlijk opgelucht-doch-beschaamd-voor-mijn-toen-nog-onzinnige-onheilsgevoel teruggekeerd naar Veldhoven. Thuisgekomen zou dan diezelfde avond ongetwijfeld nog steeds de telefoon hebben gerinkeld. Dan zou ik even goed datzelfde onheilsbericht te horen hebben gekregen.

Hoe zou ik me dan gevoeld hebben? Met een absolute zekerheid kan ik stellen dat ik het mijzelf de rest van mijn leven kwalijk zou hebben genomen als ik mij in dat geval niet aan de rand van haar bed zou hebben vastgeklonken om over haar leven te waken. Als ik werkelijk had begrepen wat mijn onderbuik wel degelijk wist, dan zou ik de Dood de kans ontnomen hebben haar bij ons weg te halen.

Het heeft zo moeten zijn. Vanaf haar wolkje houdt ze nu met papa de touwtjes stevig in handen. Als het even meezit, zorgen ze er samen voor dat ik de komende vier chemokuren gelijkwaardig onderga aan de afgelopen vier.

Ik weet dat ze samen met de deskundigen in het ziekenhuis waken over mijn hart wanneer de herceptin mijn aderen binnenstroomt. Ook al geeft herceptin een kans op ernstig hartfalen (3-4%), ik voel mij veilig door hun. Bij mij gaat dit medicijn het doel bereiken waarvoor het is bedoeld. Het zorgt dat iedere kankercel in mijn lichaam de hongerdood zal vinden.

12-9-1993 mijn 23e verjaardag.
Papa en ik hebben lol en proosten op de toekomst.
Lieve mama en papa, we gaan ervoor.

Geen opmerkingen :

Een reactie plaatsen